Scharrelen tussen de scheren

Door: Irene Hemels

Den Helder – Kristiansand is 330 mijl. Dat is bijna de kortste afstand tussen Nederland en de Zuidkust van Noorwegen. Net een mooie oversteek om tijdens onze drieweekse zomervakantie af te leggen en toch nog tijd te hebben voor stadjes bekijken, zwemmen en zeilen. Kortom, scharrelen tussen de scheren.

 

Als we de Noorse kust naderen na tweeënhalve dag zeilen, zoeken we meteen onze vertrouwde ankerplek op net buiten Lillesand. Het karakteristieke sectorlicht Saltholmen laten we links liggen. Een of twee mijl rechtdoor ligt Lillesand. In de verte zien we de karakteristieke witte, oude houten huizen aan de haven. Wij slaan na het sectorlicht meteen linksaf de ankerbaai in ten oosten van het eilandje Skogeroya. Goed beschut, zoeken we een plek tussen tien, twintig andere schepen die er al liggen, waarmee de baai aardig vol is. We gooien onze hekanker uit en liggen met onze voorsteven naar de rotsen gericht. Ringen in de rotsen maken het eenvoudig om onze lijnen aan vast te knopen. Het bosrijke binnenland ligt hier aan onze voeten. Je kunt hier fantastisch wandelen tussen de naaldbomen is onze ervaring, en echt niet alleen op de kale rotsen zoals verder veelal in dit gebied. Hevig teleurgesteld door de grote kwallenpopulatie hijsen we ons in wetsuits om toch het heldere water in te gaan. Eigenlijk is Merlijn de enige die het water echt in durft, maar door ons alarmerende gegil bij naderende kwallen besluit ook hij er snel weer uit te gaan.

De volgende dag beginnen we aan onze scharreltocht en gooien een paar mijl verder bij een verlaten eilandje ons anker uit. Hier geen ringen in de rotsen, we moeten zelf aan de slag door pinnen met een oog in rotsspleten te slaan. Een karweitje waarvoor een van de kinderen altijd wel te porren is. Weer liggen we goed beschut met tegenover ons een paar kleine zomerhuisjes die, zoals bijna overal in Noorwegen, er o zo authentiek en goed onderhouden uitzien. We maken vrienden met de drie schapen die enig klim- en klauterwerk niet uit de weg gaan.

In de naburige waterweg is het een gaan en komen van Noren die met hun motorbootje van en naar Lillesand varen. Het deert ons niet. De natuur is te mooi en de stilte al zoveel stiller dan we in Nederland kennen dat we domweg genieten van de omgeving zoals die is: rotsen, dennenbomen en vooral veel water om ons heen. Met ons bijbootje trekken we er een paar keer op uit naar Lillesand, een stadje dat nooit door brand verwoest is. We leren er dat de huizen aan deze kust wit geschilderd werden om zo de indruk te wekken dat ze van marmer zouden zijn. Van oorsprong kwamen de rode dakpannen uit Nederland, meegenomen door schippers als ballast die hout uit Noorwegen haalden.

De volgende dag proberen we uit te vinden waar de motorbootjes toch steeds vandaan komen. Dat doen we niet met onze bijboot, maar met de Hallberg. Al snel wordt het te smal en te ondiep. Terwijl we zo ver mogelijk proberen te komen, staan de jongens op de boeg om de (on)diepte in de gaten te houden. Het is alsof we op de Ark van Noach varen in de ondiepe sloot voor ons huis. Gekkenwerk natuurlijk, maar spannend is het wel! Aan het eind van de middag zeilen we tussen de scheren door naar het oosten. Spoedig gaat de motor aan omdat de vaarroute verraderlijk smal is.

Dit is varen aan de Noorse kust. Het gebied bestaat hier in feite uit een en al rots met vaak smalle vaarwegen en kleine doorsteekjes naar open zee of weer andere waterwegen. Soms is het heel breed, en een andere keer zo smal dat twee boten elkaar bijna niet kunnen passeren. Meestal is het wel diep genoeg. Als een puzzeltocht laten we links en rechts allerhande bakens liggen. We leggen in een rustig tempo net iets meer dan tien mijl af en gooien aan het eind van de avond, vlak voor het donker wordt, ons anker uit bij Valoërne, een groepje kleine, rotsachtige, kale onbewoonde eilandjes die ons beschutten tegen het Skagerak.

Na nog een lange dag kruip-door-sluip-door varen (ruim 35 mijl) met tussendoor open ruime stukken water komen we in Risor, het ‘witte plaatsje van Skagerrak’, aan. Woon- en sfeerwinkeltjes zijn hier volop, maar daar komen we nu niet voor. De haven is middenin het stadje gelegen en we pikken het staartje mee van het jaarlijkse festival voor houten boten. De kades liggen overvol met Colin Archers en klassieke scherpe jachten, er hangt een gezellige sfeer. ’s Morgens vinden we verse broodjes in de kuip. We voelen ons welkom! Is het overdag al een jolige boel, s’avonds is het nog gezelliger met bandjes op straat. Hier maken we kennis met Mike Coates, een medewerker van de Britse Practical Boat Owner (PBO), die volgens eigen zeggen speciaal voor het concert van de plaatselijke band is gekomen. Onder paraplus vermaken we ons opperbest.

In Risor ontmoeten we ook een Noors gezin uit Lillesand. Zij vertellen ons waar de meest idyllische, en kwallenvrije, ankerplek (Hakessund) in Lyngor is. Lyngor is in de jaren negentig uitgeroepen tot het best bewaarde dorp in Europa, ook wel het Venetië van de Noorse kust genoemd vanwege zijn smalle kanalen. We hebben hier eerder op het eilandje Bukholmen langszij aan de rotsen gelegen. Goed gemutst varen we een paar dagen later zuidwaarts terug en doen Lyngor aan. Op één plaats is de doorgang 2 meter diep met gevaarlijke rotsen. Wat we eerder niet durfden, proberen we nu toch om bij die fel begeerde ankerplaats te komen.

Een bezoek brengen aan Lyngor is eigenlijk een ‘must’, zo lieflijk en charmant doet het aan door de talloze witte en rode houten huizen op het land. In de winter kent het plaatsje niet meer dan tachtig inwoners, ’s zomers zijn dan er heel veel meer. Het is alleen per boot bereikbaar en verboden voor hard varende motorboten. Dat laatste tot ergernis van onze puberzonen die niet te hard met de rubberboot mogen varen.

We doen natuurlijk de beroemdste kroeg, Dewn Bla Grotte, van de Zuid-Noorse kust aan. Waarom het zo befaamd is, weten we niet. Het wordt wel druk bezocht door de lokale bevolking. Boven het restaurant is een zeilmakerij, ernaast is een cultuurhistorisch museum gevestigd dat we aan ons voorbij laten gaan. Ongetwijfeld wordt hier de Slag bij Lyngor breed uitgemeten. In 1812 heeft de Engelse navy hier effectief en bloedig de Noors-Deense marine uitgeschakeld in de Napoleontische oorlog. In de wateren rond Lyngor werd vijftig jaar geleden het Noors-Deense fregat, Najaden, gevonden.

Na een paar dagen Lyngor zakken we achttien mijl af naar de stad Arendal. We laten allerlei lieflijke plaatsjes aan ons voorbijgaan, zoals Tvedestrand dat tegen de rotsen is aangebouwd en dat je kunt bereiken door een paar mijl van de hoofdroute af te stappen. Een aantal jaar geleden ankerden we voor Arendal een paar uur buitengaats in twintig meter diep water om de jaarlijkse formule-1 motorbootraces mee te maken. Om de vuurtoren van Arendal wordt dan ronde na ronde door supersnelle motorboten over het water gescheurd. Terwijl helikopters in de lucht rondcirkelen, vindt een spektakel op het scherp van de snede plaats: een soort circuit van Assen, maar dan op het water.

In Arendal liggen we dit keer pal voor het stadhuis dat uit het begin van de negentiende eeuw stamt en het op een na grootste houten gebouw van het land is. ‘Avonds wandelen we door de oude wijk Thyholmen met nauwe steegjes en houten huizen in verschillende kleuren geschilderd. We wanen ons in lang vergane tijden, wat nog eens wordt versterkt door de diverse franciscaanse geestelijken die we tegenkomen. Het franciscaner klooster, dat zo op het eerste gezicht heel actief lijkt, torent boven de stad uit. Verder is Arendal vooral een gewone, gemiddelde moderne stad met veel terrasjes.

Zuidwaarts naar Grimstad blijken de boeien verlegd ten opzichte van onze twintig jaar oude kaart, die we hebben geleend van goede zeilvrienden. In onze naïviteit is ons uitgangspunt dat rotsen zich niet verplaatsen, desondanks kiest de Noorse hydrografische dienst natuurlijk weleens een andere doorgang. Met een uitkijk op de boeg vinden we onze weg. Eenmaal aangekomen in Grimstad mogen we van de havenmeester kosteloos een paar uur aan de steiger liggen. Het zoveelste teken van Noorse vriendelijkheid dat we ontmoeten. We maken van de gelegenheid gebruik om Grimstad te bezoeken: een pittoresk, sfeervol stadje met veel houten huizen, winkeltjes, musea, terrasjes en smalle straatjes die zich omhoog kronkelen. Vanzelfsprekend doen we de apotheek aan waar Henrik Ibsen, de beroemde Noorse toneelschrijver, in zijn jonge jaren werkte.

Het is half augustus en er is volop plek in de haven, terwijl het in juli ‘acht rij dik ligt met Noren’ volgens de havenmeester. Dat valt ons so wie so op: het is over het algemeen tamelijk rustig in de havens. Wat wil je met zoveel ankermogelijkheden. Ook wij proberen dezelfde middag een baaitje bij Grimstad te vinden in het Maloya archipel. Hoe grillig kan het bergland zijn? Stukken rotsen glijden meestal glooiend, maar op andere plekken kaarsrecht naar zee af. De dalen die onder de zeespiegel liggen heten fjorden en de bergtoppen die boven water steken vormen de scheren die hier overal voor de Noorse kust liggen. Wederom is het navigeren op de vierkante meter om de leukste plekjes te bereiken. Een vriendelijke Noor in een traditionele houten snekke wijst ons de doorgang naar een mooie rustige baai. We liggen op een topplek waar we luieren, zwemmen, wandelen op de rotsige eilandjes en rondtoeren met onze dinghy om de scheren te verkennen.

Gamle Hellesund is een ander gebied waar scharrelen, ontdekken en onthaasten onmiskenbaar samengaan. Het is een fantastische belevenis om langs eilanden van lage, kale rotsen en een diversiteit aan betonning precies te navigeren. We passeren naamloze plaatsjes, vaak niet meer dan een plukje huizen in een verder onbewoonde wereld. Op deze manier kun je elke dag een stukje varen en vind je steeds wel weer een nieuwe ankerplek. Schilderachtig vinden we het plaatsje Skolebrygga dat dwars doorsneden wordt door een smalle waterweg. Vanwege de zuidwestenwind varen we onder de beschutting van eilandjes door het mooie open vaargebied de Randoysund naar Kristiansand. Door binnendoor te varen snijden we de vuurtoren op het eiland Groenningen bij Kristansand af.

De laatste dagen van Noorwegen brengen we in Kristiansand door. En het is gek na al het genieten van het schone landschap met zijn kleine buurtjes en gehuchten langs de grillige Noorse kust, maar ons verblijf hier is geen onverdeeld genoegen. Kristiansand is een goed voorbeeld van smakeloos Noorse stedenbouw. De op vier na grootste stad van Noorwegen bestaat uit een mengeling van oud- en nieuwbouw waarbij alleen de oude woonwijk Posebyen, die bij Noren in trek is, de moeite waard is. De vele kleine, houten huizen in deze wijk worden opgeknapt en doen lieflijk aan. Het contrast met de moderne stedenbouw kan wat ons betreft niet groter. Ook helpt het weer niet echt om in de stemming van de afgelopen weken te blijven. Wachtend op goede wind regent het voortdurend gedurende de dagen dat wij er verblijven. Het Swatch internationaal beach volleybaltoernooi maakt dat er nog wel wat te bleven is in de stad.

 

De Noorse Rivièra

De twee gebruikelijke aanloophavens aan de Zuidkust van Noorwegen zijn Mandall en Kristiansand. Beide havens zijn goed aan te lopen. Mandall is de kortste oversteek vanuit Nederland en je kunt hiervandaan makkelijk kiezen of je westwaarts naar de zuidkust of oostwaarts naar de zuidoostkust van Noorwegen gaat. Wie bij Kristiansand naar binnen vaart en net als wij niet al te veel tijd heeft, maakt impliciet de keuze om zuidoostwaarts te gaan. Kristansand is de hoofdstad van ons vaargebied, Sorlandet. In deze voor Noorse begrippen grote stad is alles voor handen. Het schijnt een prima plek te zijn om van bemanning te wisselen. De treinverbindingen met Nederland zijn goed. Het gebied wordt de Noorse Rivièra genoemd vanwege het zachte klimaat. De gemiddelde zomertemperatuur in juli en augustus is rond de 20 graden. Juni en juli zijn de droogste maanden.